ECLI:NL:CRVB:2017:358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de weigering tot opvang in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college wees de aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo af en handhaafde dit besluit na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat hij recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een VBL als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, waarmee de noodzaak van opvang op grond van de Wmo vervalt. Daarom werd het hoger beroep van het college gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is.