In deze zaak hebben vijf appellanten hoger beroep ingesteld tegen besluiten van de korpschef van politie waarin zij werden toegewezen aan functies binnen het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). De appellanten stelden dat zij ten onrechte geen OVW-periodieken kregen toegekend omdat hun LFNP-functies minder dan 24 OVW-punten bevatten.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de toekenning van OVW-periodieken betrekking heeft op de waardering van de LFNP-functie en niet op de toekenning of overgang naar een LFNP-functie zelf. De besluiten van 16 december 2013 betroffen uitsluitend de matching naar LFNP-functies en bevatten geen beslissing over OVW-periodieken. De appellanten hadden bezwaar gemaakt tegen de toekenning van OVW-periodieken in een aparte brief van 16 december 2014, waarover nog een beslissing moet worden genomen.
De Raad oordeelde dat de hoger beroepen tegen de matchingbesluiten daarom niet slagen. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat in bezwaar en beroep tegen een toewijzingsbesluit ook de waardering van het functieprofiel aan de orde kan komen, maar deze regelgeving is niet vergelijkbaar met eerdere uitspraken. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees proceskosten af.