Uitspraak
10 mei 2016, 15/5231 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende bezwaar in tegen drie besluiten van het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche Aa betreffende bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet. Het bezwaar was gericht tegen de afwijzing van reiskosten en een fiets, en de toekenning van griffiekosten.
Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn, een beslissing die door de rechtbank werd bevestigd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat ziekte, het overlijden van haar vader, de zorg voor haar moeder en de vele lopende procedures haar verhinderden tijdig bezwaar te maken.
De Raad oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om het verzuim te verontschuldigen. Er was geen aannemelijk bewijs dat appellante gedurende de termijn niet in staat was bezwaar te maken, ook niet met hulp van derden. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.