Uitspraak
.Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2004 bijstand en verbleef vanaf juli 2014 in detentie. Naar aanleiding van vermoedens van uitkeringsfraude heeft de gemeente Den Haag onderzoek verricht, waarbij onder meer een huiszoeking plaatsvond en diverse waardevolle goederen werden aangetroffen. Het college besloot de bijstand over de periode juni 2010 tot juli 2014 in te trekken en terug te vorderen wegens het niet melden van bezittingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de goederen niet van hem waren of dat het om namaak ging, maar slaagde hier niet in. De Raad stelde vast dat de auto en jetski op zijn naam stonden, de horloges een aanzienlijke waarde hadden en de tas met hasjiesj niet aannemelijk door appellant was ontkend.
De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door het bezit van deze goederen niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.