ECLI:NL:CRVB:2017:296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens niet wonen op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres waar hij een kamer zou huren. Na een geschil met de verhuurder werd appellant uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP) en bleek hij niet meer op het uitkeringsadres te wonen. Het college stelde een onderzoek in waarbij meerdere huisbezoeken werden geprobeerd, maar appellant was niet in bezit van een sleutel en werd niet aangetroffen.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de onterecht ontvangen bijstand terug. Tevens legde het college een boete op wegens het schenden van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en matigde de boete, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de intrekking en de boete.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot het rechtmatigheidsonderzoek en dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren om de intrekking te rechtvaardigen. Het niet kunnen betreden van de woning lag in de risicosfeer van appellant. De boete was passend en geboden gezien de schending van de inlichtingenplicht. De hoger beroepen werden verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de boete wegens niet wonen op het uitkeringsadres worden bevestigd.