ECLI:NL:CRVB:2017:2955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door niet-professionele relatie met gedetineerde
Appellant was sinds 1994 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. De minister legde het ontslag op omdat appellant een niet-professionele relatie met een gedetineerde was aangegaan, contacten met haar moeder had onderhouden, dit niet had gemeld, de gedetineerde een speciaal telefoonnummer had gegeven en veelvuldig contact had gehad. Tevens werd hem herhaaldelijk bezijden de waarheid verklaren verweten.
De Centrale Raad van Beroep volgt appellant in zijn betwisting dat hij herhaaldelijk bezijden de waarheid heeft verklaard, omdat het dossier hiervoor geen aanknopingspunten biedt. Dit onderdeel mocht daarom niet aan het ontslag ten grondslag worden gelegd. De overige gedragingen vormen echter plichtsverzuim dat aan appellant kan worden toegerekend.
Appellant stelde dat de opgelegde straf niet evenredig was en wees op lichtere straffen in andere gevallen. De Raad oordeelt dat de combinatie van gedragingen, waaronder het verstrekken van een privételefoonnummer aan een gedetineerde en het niet melden van contacten en bedreigingen, een concreet veiligheidsrisico vormde. Dit rechtvaardigt het ontslag als disciplinaire maatregel.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.