Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en woonde samen met zijn dochter die een Wajong-uitkering en studiefinanciering ontving. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag de bijstand en verlaagde de norm met 10%, omdat appellant kosten kon delen met zijn inwonende dochter die een inkomen had dat het normbedrag voor studiekosten overschreed.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze verlaging ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het gelijkheidsbeginsel en de hardheidsclausule van toepassing waren, omdat andere gemeenten de norm niet verlaagden en zijn dochter hoge kosten had vanwege haar handicap en studie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verlaging van de norm conform de WWB en gemeentelijke verordening was en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde vanwege de gedecentraliseerde uitvoering. Ook de hardheidsclausule werd niet toegepast omdat appellant geen bewijs leverde van de gestelde hoge kosten en het delen van vaste lasten met zijn dochter als schaalvoordeel werd gezien.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de bijstandsnorm met 10% en wijst het hoger beroep af.