ECLI:NL:CRVB:2017:2930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgeefster en terecht opgelegde loonsanctie
Werknemer, werkzaam als fysio- en manueeltherapeut, meldde zich ziek na een CVA en hervatte gedeeltelijk zijn werk met een loonwaarde van 50%. Appellant, het UWV, stelde vast dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster onvoldoende waren en legde een loonsanctie op omdat niet was gestart met re-integratie via het tweede spoor. Werkgeefster en werknemer maakten bezwaar tegen deze besluiten, die door het UWV werden afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zijn beleid niet juist had toegepast en gaf de mogelijkheid het besluit te herstellen. Het UWV motiveerde zijn standpunt nader, maar de rechtbank vernietigde het besluit alsnog wegens een te beperkte beoordeling van passend werk, waarbij de loonwaarde ten onrechte als absolute norm werd gehanteerd.
In hoger beroep handhaafde het UWV het standpunt dat het resultaat onvoldoende was omdat de loonwaarde slechts 50% bedroeg en dat werkgeefster naliet de mogelijkheden voor ander, beter betaald werk te onderzoeken. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het werk niet passend is en dat de loonsanctie terecht is opgelegd. De Raad vernietigt de eerdere uitspraken en verklaart de beroepen ongegrond.
Uitkomst: De loonsanctie tegen werkgeefster wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.