ECLI:NL:CRVB:2017:2844
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding kosten extra vakantie wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant, geboren in 1939 en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, verzocht voor de jaren 2015 en 2016 om vergoeding van kosten voor extra vakantie met begeleiding. Deze verzoeken werden door verweerder afgewezen wegens het ontbreken van een medische noodzaak, een standpunt dat gebaseerd was op medische adviezen van geneeskundig adviseurs.
De Raad onderzocht de medische situatie van appellant, waarbij informatie werd ingewonnen bij de huisarts en behandelend psychiater. Uit de medische adviezen bleek dat er geen sprake was van een acute psychische situatie of dreigende decompensatie. De psychische toestand van appellant was al geruime tijd stabiel, met een laagfrequente behandeling gericht op stabiliteit en preventie.
Het beleid van verweerder staat vergoeding toe bij medische noodzaak, bijvoorbeeld na recente operaties of bij acute verergering van een causale aandoening. Voor personen boven de zeventig jaar kan vergoeding ook worden toegekend bij niet-causale aandoeningen, mits medisch noodzakelijk. De Raad oordeelde dat de situatie van appellant niet voldeed aan deze criteria.
Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De bestreden besluiten bleven in stand omdat de medische situatie van appellant geen acute noodzaak voor extra vakantie aantoonde.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van vergoeding voor extra vakantie met begeleiding worden ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een medische noodzaak.