Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:2821

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 augustus 2017
Publicatiedatum
16 augustus 2017
Zaaknummer
16/4067 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6.4 RsaAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering persoonsgebonden budget wegens onduidelijk beheer

Betrokkene, geboren in 1923 en overleden in 2016, had op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatie voor zorg en vroeg op 28 oktober 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) aan. Het Zorgkantoor weigerde dit pgb omdat niet duidelijk was wie het beheer zou voeren, terwijl betrokkene dit zelf niet kon doen.

Tijdens het bezwaar- en beroepsproces stelde appellant dat hij het beheer zou voeren met hulp van een administratiekantoor. Tijdens de hoorzitting werd echter verklaard dat het beheer volledig door een kantoor van een derde zou worden gedaan, maar dit was onvoldoende duidelijk op het moment van het bestreden besluit.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Zorgkantoor terecht het pgb heeft geweigerd op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder o, van de Regeling subsidies AWBZ. Verklaringen die na het bestreden besluit zijn afgelegd kunnen niet worden betrokken bij de beoordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het persoonsgebonden budget vanwege onduidelijkheid over het beheer.

Uitspraak

16/4067 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
10 mei 2016, 15/2179 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] , als erfgenaam van [betrokkene] (betrokkene), te [woonplaats] (appellant)
Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)
Datum uitspraak: 16 augustus 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2017. Namens appellant is
mr. De Gruijl verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
CIZ heeft aan betrokkene, geboren [in] 1923 en overleden [in] 2016, op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatie voor zorg verleend.
1.2.
Voor de realisering van deze zorg heeft betrokkene op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) op 28 oktober 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) aangevraagd. In het budgetplan heeft betrokkene vermeld dat zij de zorg wil inkopen bij [naam 1] en
[naam 2] .
1.3.
Op 28 oktober 2014 heeft een Bewuste Keuze Gesprek plaatsgevonden met appellant en [naam 2] . Uit de vastlegging van dit gesprek blijkt dat het beheer van het pgb zal worden gedaan door [naam 2] . Verder is vermeld dat appellant tijdens het gesprek niet precies wist waar het over ging en dat ook [naam 2] weinig kijk heeft op het pgb.
1.4.
Op grond van de verkregen informatie heeft het Zorgkantoor bij besluit van
10 november 2014 de verlening van een pgb geweigerd op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder o, p en q, van de Rsa.
1.5.
Betrokkene heeft tegen het besluit van 10 november 2014 bezwaar gemaakt. Volgens betrokkene zijn de in artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder o, p en q, van de Rsa opgenomen weigeringsgronden niet van toepassing. Betrokkene heeft daarbij aangevoerd dat appellant het beheer van het pgb kan en zal doen en dat met het pgb goede zorg bij vaste en vertrouwde zorgverleners zal worden ingekocht.
1.6.
Tijdens de hoorzitting is meegedeeld dat [naam 2] geen zorgverlener is en dat het beheer van het pgb volledig door (het kantoor van) [naam 3] zal worden verricht. Afgesproken is dat alsnog een nieuw en juist budgetplan zal worden ingestuurd. Verder zal duidelijkheid worden verschaft over wie, op welk moment, welke zorg verleent en hoe dit zich verhoudt tot de zorg in natura die betrokkene in 2014 van Attent Zorg heeft ontvangen.
1.7.
In reactie hierop heeft betrokkene op 18 februari 2015 een gewijzigde aanvraag en een gewijzigd budgetplan ingediend. Daarin is vermeld dat de zorg wordt ingekocht bij
[namen] .
1.8.
Bij besluit van 11 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 10 november 2014 gehandhaafd. De in de bezwaarprocedure verkregen gegevens geven het Zorgkantoor geen aanleiding voor een ander standpunt. Volgens het Zorgkantoor is onder meer niet duidelijk wie de zorg verleent en wie het pgb zal beheren.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank volgt het Zorgkantoor in het standpunt dat hij op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder
o, p en q, van de Rsa gehouden was de aanvraag van betrokkene af te wijzen.
3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de in artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder o, p en q, van de Rsa genoemde weigeringsgronden zich niet voordoen. Volgens appellant zijn de zorgverleners bekend en zou het beheer van het pgb door hem worden gedaan met hulp van een administratiekantoor als dat hem niet geheel zou lukken. De zorg in natura is verleend in afwachting van de verlening van een pgb.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder o, p en q, van de Rsa is bepaald dat het zorgkantoor de verlening van een netto persoonsgebonden budget weigert indien:
o. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor niet in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, gemachtigde of zaakwaarnemer de aan een persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren;
p. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor niet in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, gemachtigde of zaakwaarnemer de door hem verkozen zorgverlener of zorgverlenende instantie op zodanige wijze aan te sturen en hun werkzaamheden op elkaar af te stemmen, dat sprake is of zal zijn van verantwoorde zorg;
q. naar het oordeel van het zorgkantoor onvoldoende aannemelijk is dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene niet zelf in staat was om aan de aan een pgb verbonden verplichtingen te voldoen en dat zij voor het beheer van het pgb was aangewezen op hulp van derden. In het bezwaarschrift is vermeld dat appellant het beheer van het pgb voor betrokkene zal doen. Tijdens de hoorzitting is verklaard dat het beheer volledig zal worden gedaan door (het kantoor van) [naam 3] . Gelet op deze informatie heeft het Zorgkantoor bij het bestreden besluit kunnen concluderen dat niet duidelijk was wie het beheer van het pgb voor betrokkene zou doen. Nu vaststaat dat betrokkene het beheer niet zelf kon doen en ten tijde van het bestreden besluit onduidelijk was wie dat namens haar zou doen, heeft het Zorgkantoor in redelijkheid kunnen oordelen dat betrokkene niet in staat was de aan een pgb verbonden verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren. Dit betekent dat het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder o, van de Rsa, verplicht was om de verlening van het pgb te weigeren. Voor zover appellant aanvoert dat met de in (hoger) beroep afgelegde verklaringen (alsnog) duidelijk is geworden wie het beheer van het pgb zou gaan doen, overweegt de Raad dat deze verklaringen, die dateren van na het besteden besluit, niet bij de beoordeling betrokken kunnen worden.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de beroepsgronden die zijn gericht tegen de andere door het Zorgkantoor gehanteerde weigeringsgronden wordt niet toegekomen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en L.M. Tobé en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) H. Achtot

AB