ECLI:NL:CRVB:2017:2821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonsgebonden budget wegens onduidelijk beheer
Betrokkene, geboren in 1923 en overleden in 2016, had op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatie voor zorg en vroeg op 28 oktober 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) aan. Het Zorgkantoor weigerde dit pgb omdat niet duidelijk was wie het beheer zou voeren, terwijl betrokkene dit zelf niet kon doen.
Tijdens het bezwaar- en beroepsproces stelde appellant dat hij het beheer zou voeren met hulp van een administratiekantoor. Tijdens de hoorzitting werd echter verklaard dat het beheer volledig door een kantoor van een derde zou worden gedaan, maar dit was onvoldoende duidelijk op het moment van het bestreden besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Zorgkantoor terecht het pgb heeft geweigerd op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder o, van de Regeling subsidies AWBZ. Verklaringen die na het bestreden besluit zijn afgelegd kunnen niet worden betrokken bij de beoordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het persoonsgebonden budget vanwege onduidelijkheid over het beheer.