ECLI:NL:CRVB:2017:2806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterecht intrekken bijstand wegens vermeende wijziging woonadres door huisverbod
Appellant ontving bijstand en huurde een kamer op een uitkeringsadres. Na een huisverbod wegens een vermeende mishandeling, dat een maand duurde, verliet appellant de woning en verbleef tijdelijk elders. Het college trok de bijstand in omdat appellant niet had gemeld dat hij niet meer op het uitkeringsadres woonde.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden vanaf 15 juli 2014, toen het huisverbod werd verlengd. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat hij zijn woonadres niet had gewijzigd.
De Raad concludeerde dat het huisverbod een tijdelijk karakter had en dat appellant zijn woonadres op het uitkeringsadres had behouden, ondanks zijn tijdelijke afwezigheid. Daarom was er geen schending van de inlichtingenplicht en was het besluit tot intrekking van de bijstand onterecht. De Raad vernietigde het besluit en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd omdat appellant zijn woonadres op het uitkeringsadres heeft behouden ondanks het tijdelijke huisverbod.