Uitspraak
OVERWEGINGEN
€ 4.449,70 van appellante teruggevorderd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand sinds 2002 en werd in januari 2015 betrapt op het exploiteren van een hennepkwekerij in haar woning. Zij had de kwekerij laten installeren en ontving daarvoor geld, maar meldde dit niet aan het dagelijks bestuur, waardoor zij haar inlichtingenverplichting schond.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf oktober 2014 en vorderde de bijstandskosten terug. De rechtbank stelde vast dat de intrekking over een deel van de periode niet was toegestaan en dat de verrekening van vakantiegeld onjuist was. Het bestuur herstelde dit niet, waarna de rechtbank het beroep deels gegrond verklaarde.
In hoger beroep stelde appellante dat zij slechts in december 2014 contant geld ontving en dat de intrekking beperkt moest worden. De Raad oordeelde dat de intrekking terecht was over de periode van 27 oktober 2014 tot 1 februari 2015, omdat zij onvoldoende inzicht gaf in haar inkomsten en vermogen, ook na ontmanteling van de kwekerij. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.