ECLI:NL:CRVB:2017:2760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid woonadres
Appellant heeft op 7 januari 2015 bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet, waarbij hij verklaarde alleen te wonen op een opgegeven adres. Naar aanleiding van een eerdere fraudemelding is een onderzoek gestart, waarbij een huisbezoek plaatsvond. Tijdens dit huisbezoek werden aanwijzingen gevonden dat er mogelijk sprake was van onderverhuur en aanwezigheid van een andere persoon, waaronder dameskleding en poststukken op naam van een studente.
Het college heeft de aanvraag op 6 februari 2015 afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoeftige omstandigheden verkeert. De rechtbank heeft dit besluit op 6 april 2016 bevestigd. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel voldoende informatie had verstrekt, onder meer met een huurcontract en inschrijving in de basisregistratie personen, en dat zijn psychische problemen hem belemmerden adequaat te reageren.
De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn woon- en leefsituatie en dat het huisbezoekverslag als juist mag worden aangenomen. Psychiatrische problemen van appellant maken hem niet ontslagen van de verplichting tot het geven van juiste informatie. Het beroep op zeer dringende redenen is niet van toepassing. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.