ECLI:NL:CRVB:2017:2755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdelijke weigering WW-uitkering wegens benadelingshandeling bij beëindiging dienstverband
Appellant was bedrijfsleider in het koffiehuis van zijn vader en zijn arbeidsovereenkomst werd beëindigd zonder opzegtermijn nadat het koffiehuis door de burgemeester voor zes maanden werd gesloten vanwege verstoring van de openbare orde. Het Uwv kende appellant een WW-uitkering toe met een tijdelijke gehele weigering tot 28 februari 2015, omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geweest door akkoord te gaan met de beëindiging zonder opzegtermijn, wat een benadelingshandeling zou vormen.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het Uwv een nieuw standpunt innam dat appellant geen werknemer was en daarom geen recht had op WW. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de tijdelijke weigering niet-ontvankelijk en het beroep tegen het niet-werknemerschap ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij ten onrechte niet als werknemer werd aangemerkt en dat hem geen verwijt kon worden gemaakt.
De Raad oordeelt dat het Uwv het standpunt over het niet-werknemerschap heeft verlaten en vernietigt het besluit hierover. Hierdoor is appellant belanghebbende bij de beoordeling van de tijdelijke weigering. De Raad stelt dat appellant wel degelijk een benadelingshandeling heeft gepleegd door niet te verzoeken om doorbetaling van loon over de opzegtermijn, ondanks de familieverhoudingen en financiële omstandigheden van de werkgever. De tijdelijke weigering van de WW-uitkering tot 28 februari 2015 is daarom terecht opgelegd.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep tegen de tijdelijke weigering ongegrond en het beroep tegen het niet-werknemerschap gegrond. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen de tijdelijke weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het niet-werknemerschap wordt gegrond verklaard.