ECLI:NL:CRVB:2017:2714
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet wonen op opgegeven adres
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf een adres op waar hij sinds maart 2015 woonde, maar verklaarde dat hij daar nog niet verbleef vanwege een oningerichte woning. Het dagelijks bestuur van Baanbrekers stelde een opschorting in van de beslistermijn en verzocht aanvullende informatie over verblijfplaats en levensonderhoud.
Later werd de aanvraag afgewezen omdat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Uit onderzoek bleek dat appellant veelvuldig verbleef bij zijn partner T in een andere gemeente, wat werd bevestigd door huisbezoeken en verklaringen. Het dagelijks bestuur kende vervolgens bijstand toe aan appellant en T als gehuwd paar.
Appellant maakte bezwaar tegen de opschorting, afwijzing en een opgelegd contactverbod, maar deze bezwaren werden ongegrond verklaard. De Raad oordeelde dat het opschortingsbesluit niet rechtstreeks in het belang van appellant was en dat het contactverbod geen besluit in de zin van de Awb was. De Raad bevestigde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij woonde op het opgegeven adres, waardoor de afwijzing terecht was.
De medische situatie van appellant werd door de Raad betreurd, maar speelde geen rol in de besluitvorming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonde op het opgegeven adres.