Uitspraak
15 juli 2016, 15/8232 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was jarenlang werkzaam bij appellant en viel in 2010 uit wegens ziekte aan haar rechterhand en -pols, waarna zij gedeeltelijk re-integreerde. Zij vroeg een aanvulling op haar WIA-uitkering op grond van een beroepsziekte, maar appellant weigerde dit omdat geen oorzakelijk verband met het werk werd vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de klachten in overwegende mate door het werk waren veroorzaakt en kende de aanvulling toe. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de bedrijfsartsen geen oorzakelijk verband hadden vastgesteld en dat betrokkene in bezwaar andere argumenten had aangevoerd dan in beroep.
De Raad stelt dat het niet verboden is om nieuwe argumenten in beroep aan te voeren, maar dat de medische rapporten van bedrijfsartsen geen oorzakelijk verband aantonen. De Raad vindt de rapporten waarop de rechtbank zich baseerde onvoldoende om het verband te veronderstellen.
Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Betrokkene krijgt geen aanvulling op haar WIA-uitkering wegens beroepsziekte. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering van een aanvulling op de WIA-uitkering wegens beroepsziekte wordt ongegrond verklaard.