Appellant ontvangt sinds 2006 een Wajong-uitkering en vroeg in januari 2015 toestemming om met behoud van deze uitkering met zijn moeder naar Sri Lanka te verhuizen. De moeder had daar een baan aangeboden gekregen. Na een medisch onderzoek werd dit verzoek in april 2015 afgewezen en het bezwaar daarop in juli 2015 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen die beslissing ongegrond omdat onvoldoende was gebleken van een noodzaak voor de moeder om te verhuizen. Het feit dat appellant afhankelijk is van de verzorging door zijn moeder werd niet als zwaarwegende reden gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.
In hoger beroep herhaalde appellant dat de verhuizing dwingend was vanwege het werk van zijn moeder in Sri Lanka. De Raad oordeelde dat het exportverbod van de Wajong-uitkering uitgangspunt is en de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen geldt. De omstandigheden van de moeder boden geen objectieve en dwingende reden voor verhuizing. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 juli 2017.