ECLI:NL:CRVB:2017:2478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag AWBZ-zorg wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante, bekend met fybromyalgie en psychische klachten, vroeg AWBZ-zorg aan voor begeleiding, persoonlijke verzorging en verpleging. Het CIZ wees deze aanvragen in 2014 en 2015 af, omdat uit behandelplannen bleek dat er nog behandelopties waren en niet was aangetoond dat AWBZ-zorg noodzakelijk was.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten niet waren onderschat. De rechtbank stelde dat uit de behandelplannen niet bleek dat appellante aanvullend op behandeling AWBZ-zorg nodig had.
In hoger beroep voerde appellante aan dat aanvullend AWBZ-zorg nodig was, verwijzend naar een Wmo-adviseur en een medewerkster van Stichting MEE. De Raad concludeerde dat deze informatie onvoldoende was omdat zij niet van een behandelaar afkomstig was en niet op de relevante periode betrekking had.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de afwijzing van de aanvragen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvragen voor AWBZ-zorg wordt bevestigd wegens onvoldoende medische onderbouwing.