ECLI:NL:CRVB:2017:2424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over taxivervoer en begeleiding bij WIA-uitkering
Appellante, voormalig schoonmaakster, meldde zich ziek wegens epileptische aanvallen en angstklachten. Na beëindiging van haar arbeidsovereenkomst vroeg zij een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts concludeerde dat zij voor vervoer aangewezen is op hulp van een vertrouwd persoon, wat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd verwerkt. Het UWV stelde echter dat taxivervoer met enige gewenning voldoende is, ook al kan geen vaste chauffeur worden gegarandeerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante stelde dat zij begeleiding door een vertrouwd persoon nodig heeft voor woon-werkverkeer, wat haar partner en zoon door hun verplichtingen niet kunnen bieden. De Raad beoordeelde dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het begeleidingsaspect wordt ingevuld bij taxivervoer, vooral gezien het vertrouwelijke karakter van de begeleiding in de FML en het ontbreken van een vaste chauffeur.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet voldoet aan de motiveringseis van artikel 7:12 Awb Pro en draagt het UWV op het gebrek binnen zes weken te herstellen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 juli 2017.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het besluit over taxivervoer en begeleiding binnen zes weken te herstellen.