ECLI:NL:CRVB:2017:231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-girale betalingen
Appellant ontving voor de periodes 26 september 2013 tot en met 31 december 2013 en voor het kalenderjaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) voor AWBZ-zorg. Het zorgkantoor stelde het pgb voor deze periodes lager vast op nul en vorderde het te veel ontvangen bedrag terug, omdat appellant contante betalingen had gedaan aan zijn zorgverlener en niet voldeed aan de verplichting tot girale betaling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep stelde dat de belangenafweging onjuist was en dat de zorgverlener daadwerkelijk zorg had verleend. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de verplichtingen uit de Regelgeving subsidies AWBZ (Rsa) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) duidelijk zijn, waaronder de verplichting tot girale betaling.
De Raad oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen. De belangenafweging was redelijk, mede gelet op het ontbreken van een bankrekening bij de zorgverlener, wat in de risicosfeer van appellant ligt. Er waren geen omstandigheden die het zorgkantoor verhinderden tot terugvordering over te gaan. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb bevestigd.