ECLI:NL:CRVB:2017:2243
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van de Wubo
Appellante, geboren in 1934 in het toenmalige Nederlands-Indië, verzocht in 2003 en opnieuw in 2015 om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Beide verzoeken werden afgewezen omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van directe betrokkenheid en levensbedreigende omstandigheden.
De Raad beoordeelde dat het meemaken van het neerschieten van een vrouw en kind tijdens evacuatie niet voldeed aan de eis van persoonlijke directe betrokkenheid. Ook de evacuatie zelf werd niet als levensbedreigend aangemerkt. Het rampokken van het huis en de arrestatie van de vader werden niet als calamiteiten in de zin van de Wubo beschouwd.
De erkenning van de broer als burgeroorlogsslachtoffer kon niet leiden tot erkenning van appellante, mede omdat de eerdere erkenning van de broer niet op individuele omstandigheden was gebaseerd. De Raad oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel niet verplicht tot herhaling van eerdere fouten.
Gelet op het discretionaire karakter van het bestuursbesluit en het ontbreken van nieuwe feiten die tot herziening zouden moeten leiden, verklaarde de Raad het beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.