ECLI:NL:CRVB:2013:1673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogs-slachtoffer en periodieke uitkering
Appellant, geboren in 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in november 2006 om erkenning als burger-oorlogs-slachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wubo. Deze aanvraag werd in 2007 afgewezen omdat de lichamelijke en psychische klachten niet aan het oorlogsgeweld konden worden toegeschreven. Het beroep tegen deze afwijzing werd in 2009 ongegrond verklaard.
In 2010 diende appellant een nieuwe aanvraag in vanwege toegenomen psychische klachten, welke eveneens werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het nieuwe besluit een herziening van het eerdere besluit betreft, maar dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding geven tot herziening. Medische adviezen wijzen uit dat de klachten voortkomen uit andere oorzaken dan het oorlogsgeweld.
De Raad stelt vast dat de redelijke termijn voor de procedure niet is overschreden, mede doordat appellant zelf verzocht heeft de bezwaarprocedure op te schorten. Er is geen aanleiding voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om erkenning als burger-oorlogs-slachtoffer en periodieke uitkering wordt afgewezen.