Uitspraak
27 oktober 2015, 15/2274 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
10 februari 2015. Het bezwaar van de werkgever tegen dit besluit is door het Uwv bij besluit van 23 juni 2014 ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, meldde zich ziek in februari 2012 en vroeg in november 2013 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees haar aanvraag af. De rechtbank bevestigde dit oordeel na een zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij rekening werd gehouden met haar aandoeningen: primaire biliaire cirrose, het syndroom van Sjögren en de ziekte van Crohn.
In hoger beroep betoogde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen werden onderschat, mede omdat het UWV niet met haar behandelend artsen en bedrijfsarts had overlegd. Zij stelde dat de bedrijfsarts een grotere urenbeperking had vastgesteld en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts de beperkingen juist had vastgesteld. De informatie van de bedrijfsarts was verouderd en had een ander doel dan de beoordeling voor de WIA.
De Raad vond de geselecteerde functies geschikt voor appellante en zag geen reden om het eerdere oordeel te wijzigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.