ECLI:NL:CRVB:2017:2162
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde bankstortingen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds november 2011. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag de bijstand en vorderde ten onrechte ontvangen bedragen terug wegens niet gemelde stortingen op zijn bankrekening. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad bevestigde dit in een eerdere uitspraak.
In hoger beroep stelde appellant dat de stortingen afkomstig waren van zijn vriendin, die vanwege problemen met haar eigen bankrekening gebruik maakte van zijn rekening. Hij overhandigde een ondertekende verklaring met haar gegevens. De Raad oordeelde dat het enkel overleggen van deze verklaring onvoldoende was om te bewijzen dat de stortingen niet tot zijn middelen behoorden, omdat appellant geen concrete en verifieerbare stukken, zoals bankafschriften van de vriendin, had overgelegd.
De Raad benadrukte dat tegoeden op een bankrekening van een betrokkene in principe tot diens vermogen behoren, tenzij tegenbewijs wordt geleverd. Aangezien appellant dit niet aannemelijk had gemaakt, werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand bevestigd.