ECLI:NL:CRVB:2017:2142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens plichtsverzuim bij onjuiste belastingaangiften door ambtenaar
Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst sinds 1978, voerde in zijn aangiften inkomstenbelasting over meerdere jaren een hoger bedrag aan rente en kosten eigen woning op dan wettelijk toegestaan, onder meer door verzekeringspremies ten onrechte mee te rekenen. Daarnaast reageerde hij niet op verzoeken van de belastinginspecteur om relevante hypotheekgegevens te overleggen.
De Belastingdienst stelde navorderingen vast en legde appellant een disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op wegens dit plichtsverzuim. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat appellant bewust en toerekenbaar onjuiste aangiften had gedaan en zijn fiscale verplichtingen niet was nagekomen.
In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat het niet reageren op verzoeken geen plichtsverzuim opleverde en dat hij handelde uit een niet verwijtbare vergissing. De Raad verwierp deze verweren, benadrukte de hoge integriteitseisen voor belastingambtenaren en oordeelde dat het ontslag niet onevenredig is gezien de ernst en duur van het plichtsverzuim.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en het ontslagbesluit, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het ontslag van appellant wegens toerekenbaar plichtsverzuim.