ECLI:NL:CRVB:2017:2114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding bij beroepsmatig verleende rechtsbijstand in AWBZ-procedure
Appellante heeft een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg aangevraagd, maar het CIZ nam de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling. Na bezwaar verklaarde het CIZ het bezwaar gegrond en nam de aanvraag alsnog in behandeling. Vervolgens werd de proceskostenvergoeding voor de door appellante ingeschakelde rechtsbijstand door het CIZ beperkt toegekend, waarbij een lage wegingsfactor werd gehanteerd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het besluit over de proceskostenvergoeding af, omdat niet was komen vast te staan dat de rechtsbijstand beroepsmatig was verleend door een derde. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat El Kadi, haar juridisch adviseur, al sinds jaren beroepsmatig rechtsbijstand verleent.
De Raad oordeelt dat El Kadi inderdaad beroepsmatig rechtsbijstand verleent, gelet op zijn handelsregisterinschrijving en het feit dat hij niet incidenteel optreedt. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het CIZ over de proceskostenvergoeding. De Raad bepaalt dat de vergoeding moet worden vastgesteld met een hogere wegingsfactor, passend bij de complexiteit van de zaak, en veroordeelt het CIZ tot betaling van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief griffierecht.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit over proceskostenvergoeding en veroordeelt het CIZ tot betaling van €990 aan proceskosten en vergoeding van griffierecht.