Werknemer, werkzaam als coördinator servicedesk bij appellante, werd door cardiale en neurologische klachten arbeidsongeschikt en werkte vanaf februari 2013 in een aangepaste functie als backofficemedewerker met een teruggebracht aantal uren. Het UWV kende aanvankelijk een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 37,45%, later verhoogd naar 68%.
De rechtbank stelde vast dat de gebruikte maatmanloonwaarde onjuist was en bepaalde de arbeidsongeschiktheid op 79,98%, maar wees het verzoek tot IVA-uitkering af. Appellante voerde aan dat de werkzaamheden niet passend waren en dat er sprake was van een aanzienlijk tempoverlies, onderbouwd met rapporten van arbeidsdeskundigen die een arbeidsongeschiktheid van circa 85% stelden.
De Raad oordeelt dat de werkzaamheden niet passend waren en dat het loon niet representatief was voor de resterende verdiencapaciteit van werknemer. De medische beperkingen en de aard van de werkzaamheden leiden tot een hoger percentage arbeidsongeschiktheid dan 79,98%, namelijk circa 85%. Het UWV erkent de duurzame aard van de beperkingen, waardoor werknemer recht heeft op een IVA-uitkering. Het besluit van 7 februari 2014 wordt herroepen en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.