ECLI:NL:CRVB:2017:1838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.T. van den Corput
- M. Kraefft
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens wangedrag van militair opsporingsambtenaar na poging tot diefstal
Appellante, sinds 2002 militair bij de Koninklijke Marechaussee, werd in de nacht van 31 augustus op 1 september 2014 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij diefstal van autovelgen. Hoewel zij zelf niet direct de velgen demonteerde, stond zij op uitkijk en vluchtte zij bij politieaanhouding. Tevens probeerde zij op het politiebureau bewijsmateriaal te verbergen.
De minister van Defensie verleende haar ontslag wegens wangedrag op grond van het Algemeen militair ambtenarenreglement. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, wat zij in hoger beroep bestreed.
De Raad oordeelde dat de minister op basis van voldoende deugdelijk vastgestelde gegevens mocht aannemen dat appellante zich schuldig had gemaakt aan de verweten gedragingen. Haar verklaring dat zij in shock verkeerde en het gedrag niet bewust was, werd niet geloofd. Ook het feit dat zij later strafrechtelijk werd vrijgesproken van poging tot diefstal deed hieraan niet af.
De Raad vond het ontslag passend en niet onevenredig gezien de ernst van het wangedrag en de functie van appellante als opsporingsambtenaar. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag wegens wangedrag bevestigd.