Uitspraak
2 juni 2015, 14/7270 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante had een aanvraag om bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd afgewezen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep deels gegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde in een tussenuitspraak vast dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name ten aanzien van de periode van 12 februari 2014 tot en met 6 juni 2014.
Het college heeft vervolgens een nieuw besluit genomen waarin het bezwaar gedeeltelijk werd toegewezen en bijstand werd toegekend vanaf 1 april 2014, met verrekening van ontvangen middelen. Appellante was het eens met de toekenning over april en mei 2014, maar niet met de verrekening en betaling van de bijstand.
De Raad oordeelde dat het beroep gegrond is wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college heeft het motiveringsgebrek hersteld, maar appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voor de periode van 12 februari tot 1 april 2014 bijstandbehoevend was, zodat het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond is. De Raad veroordeelde het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.