ECLI:NL:CRVB:2017:1758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A.H. van Dalen-van Bekkum
- L. Koper
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en uitkeringsrecht op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
Appellante, geboren in 1977 en sinds haar babytijd bekend met epilepsie, werkte tot 2000 als machinestikster. Na het faillissement van haar werkgever meldde zij zich ziek wegens neurologische klachten. Een eerdere aanvraag voor een WAO-uitkering in 2001 werd afgewezen omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage minder dan 15% bedroeg. In 2013 vroeg zij een Wajong-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen wegens gebrek aan medisch onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand vanwege onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid op haar zeventiende verjaardag. In hoger beroep richtte de discussie zich op de medische en arbeidskundige situatie van appellante rond haar zeventiende en achttiende jaar.
De Raad stelde vast dat de beoordeling op grond van de AAW moet plaatsvinden en dat het belastbaarheidspatroon van 21 maart 2001 voldoende recht doet aan haar beperkingen. Er was geen betrouwbaar bewijs van verslechtering tussen 1993 en 1999, en appellante werkte nog 38 uur per week tussen 1997 en 2000. De arbeidsdeskundige onderbouwde dat de functies die appellante vervulde ook in 1996 op de arbeidsmarkt voorkwamen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht geen Wajong-uitkering toekende en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een Wajong-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.