Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:1732

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2017
Publicatiedatum
10 mei 2017
Zaaknummer
15-5754 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52 WWBArt. 7:1 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Wet werk en bijstandArt. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bezwaar mogelijk tegen weigering voorschot WWB en buiten behandelingstelling aanvraag

Appellant diende op 27 februari 2014 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verzocht appellant meerdere malen om aanvullende gegevens, waaronder specificaties van inkomsten uit verhuur van woningen. Appellant leverde niet alle gevraagde gegevens tijdig aan, waarop het college het verzoek om een broodnood-voorschot afwees en de aanvraag buiten behandeling stelde.

Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel. In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat het college ten onrechte het bezwaar en beroep tegen het voorschotbesluit niet ontvankelijk had verklaard.

De Raad oordeelt dat bezwaar en beroep tegen besluiten omtrent het voorschot op grond van artikel 52 WWB Pro niet mogelijk zijn. Daarom vernietigt de Raad het deel van het bestreden besluit dat het voorschot betreft en verklaart het bezwaar tegen het voorschotbesluit niet-ontvankelijk. De buiten behandelingstelling van de aanvraag wegens het niet tijdig aanleveren van noodzakelijke gegevens is rechtmatig en wordt bevestigd. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het voorschotbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en de buiten behandelingstelling van de aanvraag wordt bevestigd.

Uitspraak

15.5754 WWB

Datum uitspraak: 9 mei 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
10 juli 2015, 14/7634 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.H. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 27 februari 2014 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Ten tijde van de aanvraag bewoonden appellant en zijn echtgenote een eigen woning aan de [adres] te [woonplaats] en verhuurden zij woningen aan de [straatnaam] [nummer X] , [nummer Y] en [nummer Z] te [woonplaats] .
1.2.
Ter beoordeling van de aanvraag heeft het college bij brief van 23 april 2014 appellant verzocht om een aantal gegevens in te leveren. Op 2 mei 2014 heeft appellant dat gedaan. Vervolgens heeft het college bij brief van 8 mei 2014 appellant verzocht om vóór 22 mei 2014 nog enige nadere gegevens in te leveren, waaronder specificaties van de inkomsten uit de verhuur van zijn woningen over de afgelopen twaalf maanden. Daarbij is vermeld dat indien niet op tijd wordt gereageerd of niet alle gevraagde gegevens worden ingeleverd, de aanvraag niet kan worden beoordeeld en niet in behandeling wordt genomen. Voorts is vermeld dat, als appellant op tijd aangeeft dat het niet lukt om alle gegevens voor 22 mei 2014 in te leveren, de inlevertermijn kan worden verlengd. Op 15 mei 2014 heeft appellant een aantal stukken ingeleverd.
1.3.
Bij besluit van 16 mei 2014 (besluit 1) heeft het college het verzoek van appellant om een zogenoemd broodnood-voorschot afgewezen op de grond dat appellant niet voldoende gegevens heeft verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kan worden beoordeeld.
1.4.
Bij besluit van 5 juni 2014 (besluit 2) heeft het college met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld.
1.5.
Bij besluit van 22 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat nu de aanvraag buiten behandeling is gesteld appellant geen aanspraak meer kan maken op een voorschot. Voorts heeft het college gesteld dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft ingeleverd. Appellant heeft geen specificaties overgelegd van de inkomsten uit de verhuur van zijn woningen. Deze gegevens zijn noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Afwijzing voorschot
4.1.
Het verzoek van appellant om een broodnood-voorschot ziet op een voorschot algemene bijstand als bedoeld in artikel 52 van Pro de WWB.
4.2.
De Raad stelt vast dat het instellen van bezwaar en beroep tegen een besluit omtrent de toepassing van artikel 52 van Pro de WWB niet mogelijk is, gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, in verbinding met artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en artikel 1, aanhef en onder Wet werk en bijstand (thans: Participatiewet) van de bij deze wet behorende bijlage 2
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
4.3.
De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit in zoverre vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2014 niet-ontvankelijk te verklaren.
Buiten behandelingstelling aanvraag
4.4.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.5.
Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of appellant de door het college gevraagde gegevens binnen de aan hem gegeven termijn heeft verstrekt.
4.6.
Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant specificaties van de inkomsten uit verhuur van alle woningen over de gehele periode van twaalf maanden heeft overgelegd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niettemin de gevraagde gegevens tijdig heeft overgelegd noch dat het onmogelijk was om deze gegevens over te leggen. Dat de ontvangst van ingeleverde stukken is bevestigd met een vinkje op het overzicht met de gevraagde gegevens behorende bij de brief van 8 mei 2014, wil nog niet zeggen dat appellant daarmee ten volle had voldaan aan het verzoek. Zoals namens het college ter zitting van de Raad ook is toegelicht, wordt met het vinkje enkel de ontvangst van een stuk bevestigd en houdt dit geen erkenning in dat alle gevraagde gegevens zijn ingeleverd. Met het overleggen van een aantal kwitanties van huurbetalingen heeft appellant niet dan wel onvolledig voldaan aan het verzoek van het college. Het college was niet gehouden om appellant opnieuw een hersteltermijn te geven.
4.7.
Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het college bevoegd was om de aanvraag om bijstand van 9 april 2014 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
4.8.
Uit 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor het overige moet worden bevestigd.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 20,60 aan reiskosten op basis van openbaar vervoer tweede klas, in totaal € 2.990,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de afwijzing van een voorschot;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 september 2014 voor zover dit ziet op de afwijzing van een
voorschot;
- verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 mei 2014 niet-ontvankelijk;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.990,60;
- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2017.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) L.L. van den IJssel

HD