ECLI:NL:CRVB:2017:1685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens vermogen boven grens deels gegrond verklaard
Appellante ontving sinds 1997 bijstand op grond van de WWB. In 2012 werd tijdens een strafrechtelijk onderzoek een geldkistje met contanten aangetroffen dat aan appellante werd toegerekend. Het college besloot daarop de bijstand over de periode 1997-2012 in te trekken en terug te vorderen wegens het niet melden van vermogen boven de toegestane grens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat het college terecht aannam dat appellante sinds 30 juni 2009 beschikte over een bedrag van €37.570,16 en dat ook het geldkistje van €64.070,10 aan haar toebehoorde. Appellante schond daardoor haar inlichtingenplicht.
Echter, voor de periode vóór 30 juni 2009 is onvoldoende feitelijke grondslag om aan te nemen dat zij over vermogen boven de grens beschikte. Daarom vernietigt de Raad het besluit voor die periode en verklaart het beroep gegrond. Voor de periode daarna blijft het besluit in stand, en het college wordt opgedragen een nieuwe terugvordering te berekenen. Het college wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode tot 30 juni 2009 en gehandhaafd voor de periode daarna met opdracht tot nieuwe berekening.