ECLI:NL:CRVB:2017:1645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende financiële duidelijkheid
Appellante ontving sinds 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek door de sociale recherche werd vastgesteld dat appellante betalingen verrichtte voor een vakantiepark met haar bankrekening, terwijl zij nauwelijks uitgaven deed voor haar levensonderhoud. Het college trok daarom de bijstand over de periode mei 2010 tot september 2012 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat derden haar bankrekening gebruikten zonder dat haar vermogen veranderde en dat haar psychische gesteldheid haar verhinderde de gevraagde informatie te verstrekken. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende duidelijkheid had verschaft over haar financiële situatie, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De Raad verwierp het verweer dat de inlichtingenverplichting niet op haar van toepassing was vanwege haar psychische toestand, omdat deze verplichting objectief is en verwijtbaarheid niet vereist is. Ook faalde het beroep op dringende redenen om terugvordering te vermijden. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens onvoldoende financiële duidelijkheid.