ECLI:NL:CRVB:2017:1578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende bijstand naar gehuwdennorm bij verlening verblijfsvergunning
Appellanten ontvingen bijstand naar de gehuwdennorm vanaf april 2013. Na intrekking wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning, werd bijstand voortgezet naar de alleenstaandennorm. Appellanten vroegen bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen vanaf januari 2014, nadat zij een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht hadden gekregen.
De rechtbank verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en wees het beroep verder af. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het beroep niet-ontvankelijk had mogen worden verklaard, maar dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet in hun kosten van levensonderhoud hebben voorzien. De Raad maakt onderscheid tussen de periode zonder geldige verblijfsvergunning, waarin geen recht op bijstand bestaat, en de periode daarna.
De Raad bevestigt dat bijstand met terugwerkende kracht slechts kan worden toegekend bij bijzondere omstandigheden en dat de bewijslast hiervoor bij de aanvrager ligt. Schulden bij zorgverzekeraar en woningverhuurder worden niet als kosten van levensonderhoud beschouwd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Het college wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht wordt aan appellanten vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen.