Uitspraak
A.H.G. Boelen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst.
Centrale Raad van Beroep
Appellante maakte bezwaar tegen de jaaropgaaf 2015 van het UWV, waarin informatie werd verstrekt over uitkeringen en ingehouden premies. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de jaaropgaaf geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de jaaropgaaf feitelijke informatie betreft waartegen geen rechtsmiddelen openstaan. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de jaaropgaaf onjuist is en direct rechtsgevolg heeft, maar het UWV handhaafde het standpunt dat het geen besluit betreft.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwees naar vaste rechtspraak dat een jaaropgaaf geen publiekrechtelijke rechtshandeling is en geen rechtsgevolg heeft. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de jaaropgaaf 2015 wordt bevestigd.