ECLI:NL:CRVB:2017:146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet feitelijk verblijf op uitkeringsadres
Appellante ontving vanaf april 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na waarnemingen dat zij boodschappen deed in een andere gemeente, startte het bureau Handhaving een onderzoek. Dit omvatte dossieronderzoek, waarnemingen, opvragen van verbruiksgegevens van water, gas en elektriciteit, bankafschriften en buurtonderzoek.
Op basis van deze bevindingen trok het algemeen bestuur de bijstand per 15 oktober 2013 in, omdat appellante niet feitelijk op het uitkeringsadres woonde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellante onder meer aan dat zij zuinig was met water en dat de watermeter defect zou zijn.
De Raad oordeelde dat het extreem lage waterverbruik (2m³ in een jaar) niet aannemelijk maakt dat appellante haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De verklaringen van buurtbewoners, die bevestigden dat zij slechts kort verbleef, en het lage gas- en elektraverbruik ondersteunden dit. De ingebrachte steunbetuigingen van buurtgenoten en de klusjesman waren onvoldoende concreet. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante niet feitelijk op het uitkeringsadres woonde.