1.6.Bij besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 18 november 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 18 november 2013 herroepen voor zover daarbij het recht op bijstand is ingetrokken over de periode van 30 augustus 2002 tot en met 22 februari 2008. De rechtbank heeft voorts het college opdracht gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar betreffende de terugvordering te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellanten met ingang van 22 februari 2008 geen recht meer hadden op bijstand. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant over de herkomst van de op 2 april 2013 in de woning en garagebox aangetroffen contanten heeft verklaard dat hij na het overlijden van zijn vader in januari 2008 op of omstreeks 22 februari 2008 een bedrag van € 35.000 heeft opgenomen van twee bankrekeningen van zijn vader en dat hij dit bedrag nog moest verdelen met zijn vier broers en zussen. Uitgaande van deze verklaring en aannemende dat appellant slechts over één vijfde deel van het in het Duitse spaarbankboekje van zijn vader vermelde bedrag van
€ 24.289,96 kon beschikken, had appellant op 22 februari 2008 in ieder geval de beschikking over (€ 35.000,- minus € 19.432,-) € 15.568,-. Dit leidt tot de conclusie dat appellanten sinds 22 februari 2008 feitelijk beschikten over een vermogen dat het ingevolge artikel 34,
derde lid, van de WWB vrij te laten vermogen voor gehuwden (per 1 januari 2008 van
€ 10.650,-) ruimschoots overschreed. Daarbij hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting ook geschonden omdat zij geen melding hebben gemaakt van de exploitatie van [naam bedrijf], de privéstorting van € 54.469,00 die zij in 2012 in het bedrijf hebben gedaan en de in november 2012 en december 2012 ontvangen afkoopsommen van levensverzekeringen. Appellanten hebben geen inzicht gegeven in de aard en omvang van de inkomsten uit het autobedrijf vanaf de aanvang van de exploitatie van het autobedrijf op 1 oktober 2010.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de intrekking over de periode van 22 februari 2008 tot en met
1 april 2013 in stand heeft gelaten. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellanten geen inzicht hebben verschaft in de aard en omvang van de inkomsten uit het autobedrijf. Appellanten hebben in dit verband gewezen op de belastingaangiften over 2010, 2011 en 2012. Het college was ook op de hoogte van het feit dat appellant een autobedrijf exploiteerde. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de eveneens uit bankafschriften blijkende geldopnamen van (2 x € 5.000,-) € 10.000,- van de bankrekening van de vader van appellant. Dit bedrag valt, evenals de geldopname van € 24.289,96, in de erfenis van de vader van appellant zodat appellanten slechts over één vijfde deel van € 10.000,- konden beschikken. Het vermogen (volgens appellant € 34.289,96 gedeeld door vijf, dus € 6.857,99) viel in de gehele periode onder de voor hen geldende vermogensgrens. Appellanten hebben verzocht om vergoeding van schade.
4. Het college heeft bij nader besluit van 15 april 2016 (nader besluit) de over de periode van 22 februari 2008 tot en met 1 april 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 95.542,44 van appellanten teruggevorderd. Het nader besluit wordt, gelet op artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.