ECLI:NL:CRVB:2017:1448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen pgb-werkzaamheden voor moeder
Appellanten ontvingen sinds 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een vermoeden van fraude startte het college een onderzoek, waarbij bleek dat de moeder van appellanten een persoonsgebonden budget (pgb) had toegekend gekregen voor persoonlijke verzorging, waarbij de zoon als zorgverlener was aangewezen. Uit verklaringen van appellanten en de zoon bleek echter dat appellante zelf de persoonlijke verzorging verrichtte, zonder dit aan het college te melden.
Het college herzag en trok de bijstand over de periode van mei 2011 tot maart 2013 in en vorderde de teveel ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden hadden verricht en dat het college terecht had gehandeld.
De Raad stelde vast dat appellante de persoonlijke verzorging verrichtte die onder het pgb viel en dat dit als op geld waardeerbare arbeid moest worden aangemerkt, ongeacht het ontbreken van directe betaling aan appellante. Door deze werkzaamheden niet te melden, schonden appellanten de objectieve inlichtingenverplichting uit artikel 17 WWB Pro. Het college mocht de bijstand daarom herzien en terugvorderen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het verzwegen pgb-werkzaamheden door appellanten.