Appellant, een Slowaakse EU-burger, voerde aan dat hij recht had op kinderbijslag vanaf februari 2015 omdat hij toen al werkzaamheden in Nederland verrichtte. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had dit geweigerd en uitgegaan van de inschrijvingsdatum bij de Kamer van Koophandel (KvK) als aanvangsdatum van zijn werkzaamheden en verzekering.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en geoordeeld dat hij pas vanaf 21 februari 2015 als ingezetene kon worden aangemerkt, waardoor het recht op kinderbijslag pas vanaf maart 2015 zou gelden. Appellant stelde dat deze beoordeling discriminerend was en verzocht om schadevergoeding.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de Svb ten onrechte alleen de AKW en de daarop gebaseerde rechtspraak had toegepast, terwijl ook Verordening (EG) nr. 883/2004 en nr. 987/2009 van toepassing zijn op migrerende EU-burgers. Uit bewijsstukken bleek dat appellant al in januari en februari 2015 werkzaamheden in Nederland verrichtte, ondanks dat hij toen nog niet bij de KvK was ingeschreven.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, oordeelde dat appellant recht heeft op kinderbijslag vanaf februari 2015 en wees het verzoek om schadevergoeding af wegens gebrek aan bewijs van discriminatie. Tevens werd het griffierecht aan appellant vergoed.