ECLI:NL:CRVB:2017:1382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing boete oplegging op grond van Wet studiefinanciering 2000 wegens onjuiste woonsituatie
Appellant, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, legde betrokkene een bestuurlijke boete op wegens vermeende onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) met betrekking tot zijn woonsituatie. Het onderzoek dat daaraan ten grondslag lag, werd uitgevoerd door controleurs die niet bevoegd waren volgens de aanwijzing van artikel 9.1a Wsf 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het boetebesluit, omdat appellant niet had aangetoond dat betrokkene niet woonachtig was op het opgegeven adres. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, omdat het bewijs van het onderzoek onrechtmatig was verkregen en daarom niet als bewijs mocht dienen.
De Raad oordeelde dat zonder dit bewijs geen voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat betrokkene niet op het adres woont. Het bestreden besluit berustte daardoor niet op een deugdelijke motivering. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het boetebesluit wordt vernietigd wegens onrechtmatig verkregen bewijs.