ECLI:NL:CRVB:2017:1378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling AWBZ-indicatie bij voorliggende Zorgverzekeringswet-behandeling
Appellant, met een chronische psychiatrische aandoening en verslavingsproblematiek, was geïndiceerd voor AWBZ-zorg tot 27 juli 2013. Het CIZ stelde dat na deze datum behandeling onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorliggend is en dat appellant daarom geen AWBZ-zorg meer kan ontvangen.
Appellant voerde aan dat hij uitbehandeld is en intensieve begeleiding nodig heeft vanwege ernstige beperkingen. Diverse medische adviezen, waaronder van medisch adviseurs en een onafhankelijke deskundige, zijn ingewonnen. De deskundige concludeerde dat behandeling onder de Zvw mogelijk en zinvol was, mits intensieve ambulante zorg en begeleiding, en dat het ontbreken daarvan het herstel en zelfredzaamheid belemmerde.
De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat appellant na 27 juli 2013 niet in aanmerking komt voor AWBZ-zorg omdat adequate behandeling via de Zvw voorliggend is. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant komt na 27 juli 2013 niet in aanmerking voor AWBZ-zorg omdat behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet voorliggend is.