Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, erkend als burger-oorlogsslachtoffer, maakte aanspraak op diverse voorzieningen op grond van de Wubo, waaronder huishoudelijke hulp. Na opname in een verpleeghuis trok de Sociale verzekeringsbank deze voorzieningen in, omdat de zorginstelling verantwoordelijk is voor de noodzakelijke huishoudelijke hulp en appellante geen extra kosten meer maakt.
Appellante voerde aan dat zij geconfronteerd werd met een eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg, wat een inkomensachteruitgang betekent, en dat dit verband hield met haar oorlogsinvaliditeit. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet ziet op de eigen bijdrage Wlz en dat dit bezwaar niet in beroep aan de orde was.
Verder stelde appellante dat zij ten onrechte geen proceskostenvergoeding kreeg, maar de Raad oordeelde dat het intrekken van de vergoeding niet het gevolg was van een onrechtmatigheid van het bestuursorgaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van voorzieningen bij opname in een verpleeghuis wordt ongegrond verklaard.