Uitspraak
8 april 2015, 14/4102 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een besluit van de minister van Defensie waarbij zijn militair invaliditeitspensioen werd herzien en verlaagd. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, maar hij diende de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijnen in, ondanks meerdere aanmaningen die naar zijn bewindvoerder werden gestuurd.
De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van de bezwaarschriftgronden. De rechtbank wees het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring af. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat zijn zorgcoördinator hem onjuist had geïnformeerd, waardoor hij een afwachtende houding aannam.
De Raad oordeelde dat de minister terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde, omdat de aanmaningen correct waren verzonden en de nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening van appellant komt. De mededeling van de zorgcoördinator kon de niet-ontvankelijkverklaring niet verhinderen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van de gronden binnen de gestelde termijnen.