ECLI:NL:CRVB:2017:1293
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake persoonsgebonden budget 2010
Verzoekster heeft een vaststellingsovereenkomst met het Zorgkantoor gesloten waarin een persoonsgebonden budget (pgb) voor de jaren 2004 tot en met 2012 is toegekend. Voor het jaar 2010 is het pgb vastgesteld op €201.206,25 netto per jaar. Het Zorgkantoor heeft bij besluiten in januari en april 2016 het pgb voor 2010 toegekend en verhoogd. Verzoekster betwist dat het pgb conform deze besluiten is uitbetaald en heeft meerdere rechtszaken gevoerd.
In hoger beroep heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd omdat zij stelt dat zij door de onregelmatige uitbetaling van het pgb niet over adequate zorg kan beschikken. Haar wettelijk vertegenwoordiger heeft ook gewezen op de vele lopende procedures en de toegenomen zorgvraag.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is voor een voorlopige voorziening. Er is onvoldoende bewijs dat verzoekster door de situatie in een zodanige financiële positie verkeert dat zij geen adequate zorg kan ontvangen. Ook de vele lopende procedures vormen geen grond voor spoedeisendheid. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en ziet geen aanleiding om onmiddellijk in de hoofdzaak uitspraak te doen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.