ECLI:NL:CRVB:2017:1278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde bankstortingen en middelenbegrip
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en hebben in 2015 bedragen van derden op hun bankrekening gestort zonder dit te melden aan het college. Het college heeft daarop de bijstand herzien en teruggevorderd. Appellanten voerden aan dat het geld bedoeld was voor het aflossen van een huurschuld en dat het college geen juiste belangenafweging had gemaakt.
De Raad overwoog dat volgens artikel 31 van Pro de Participatiewet alle inkomens- en vermogensbestanddelen als middelen worden beschouwd, ook leningen, tenzij sprake is van een situatie waarin iemand geen bijstand of inkomen ontvangt en aangewezen is op leningen, wat hier niet het geval was. Appellanten konden vrij over het geld beschikken en hebben niet aannemelijk gemaakt dat het geld uitsluitend voor de huurschuld bestemd was.
Verder oordeelde de Raad dat de medische en financiële problematiek van appellanten geen reden gaf om af te zien van herziening, mede omdat zij de stortingen niet zelf hadden gemeld en daarmee de inlichtingenverplichting hadden geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.