ECLI:NL:CRVB:2017:1249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bedrijfskapitaal wegens niet-levensvatbaar bedrijf op grond van Bbz 2004
Appellant exploiteert sinds november 2011 een eenmanszaak en vroeg op 5 maart 2012 bedrijfskapitaal aan op grond van het Bbz 2004. Het college wees deze aanvraag af, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank stelde vast dat het college gebreken in het besluit had, maar na herstel bleef de aanvraag afgewezen.
De Raad toetst of het bedrijf levensvatbaar is, waarbij levensvatbaarheid betekent dat de zelfstandige na verlening van bijstand een toereikend inkomen kan verwerven om het bedrijf voort te zetten en in het bestaan te voorzien. De beoordeling richt zich op de situatie ten tijde van het besluit. Het college baseerde zich op een intern deskundig advies dat het bedrijf niet levensvatbaar acht vanwege een hoge belastingschuld en onvoldoende cashflow.
Appellant betwistte dat de belastingschuld moest worden meegewogen en stelde dat er een afspraak met de Belastingdienst was waardoor deze schuld verjaard zou zijn. Dit kon appellant echter niet aannemelijk maken met schriftelijke stukken. De Raad oordeelt dat het college terecht de belastingschuld heeft meegewogen en bevestigt de afwijzing van de aanvraag. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag bedrijfskapitaal wordt afgewezen omdat het bedrijf niet levensvatbaar is en de belastingschuld moet worden meegewogen.