Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 123,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van haar detentie vanaf 25 november 2013 heeft het college de bijstand per 26 november 2013 ingetrokken. Op 10 januari 2014 vroeg appellante opnieuw bijstand aan met ingang van 24 december 2013, welke op 12 maart 2014 werd toegekend.
Het college verklaarde de bezwaren van appellante tegen de intrekking en toekenning ongegrond, stellende dat de intrekking terecht was vanwege detentie en dat de nieuwe aanvraag correct was beoordeeld. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het college onterecht de bijstand had ingetrokken, omdat de datum van haar invrijheidstelling reeds bekend was, en dat zij ten onrechte langere tijd zonder bijstand zat.
De Raad oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college tijdig op de hoogte was van haar ontslagdatum. De intrekking was daarom terecht en de bijstand werd na detentie opnieuw toegekend. Er was geen sprake van getrapte besluitvorming of schending van het vertrouwensbeginsel. Wel vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank voor zover deze niet heeft beslist op het verzoek om schadevergoeding wegens vertraagde uitbetaling. Dit verzoek wordt door de Raad afgewezen. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Verzoek om schadevergoeding wegens vertraagde bijstandsuitbetaling wordt afgewezen; intrekking bijstand wegens detentie blijft terecht.