ECLI:NL:CRVB:2017:1245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking aan activeringstraject
Appellante ontvangt sinds 1996 bijstand en was aanvankelijk volledig ontheven van arbeids- en re-integratieverplichtingen. Na een onderzoek door het UWV in 2013 concludeerde dat er mogelijkheden tot arbeidsinschakeling waren, waarna het college in februari 2014 de arbeidsverplichtingen deels herstelde, met uitzondering van de verplichting tot deelname aan een door het college aangeboden activeringstraject.
Appellante werd aangemeld voor een activeringstraject bij de Werkmeester en moest twee uur per dag deelnemen. Zij meldde zich echter herhaaldelijk af, onder meer om medische redenen. Het college legde daarom bij besluit van juni 2014 een verlaging van de bijstand met 40% op voor de duur van één maand. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege gezondheidsproblemen niet kon deelnemen aan het traject. De Raad oordeelde dat het onderzoek van september 2013 en het daarop gebaseerde besluit van februari 2014 aannemelijk maken dat zij in staat was tot deelname. Het door appellante overgelegde begeleidingsplan betrof een latere periode en bood geen aanwijzingen voor ongeschiktheid in de relevante periode.
De Raad concludeerde dat het college terecht het verzuim aan appellante toerekent en de maatregel van bijstandsverlaging terecht is opgelegd. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 40% wegens onvoldoende medewerking aan het activeringstraject wordt bevestigd.