Uitspraak
16.2168 PW, 17/793 PW
De Raad heeft bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak stond de vraag centraal of het college terecht een bedrag van €47,58 op de bijstand van appellant mocht inhouden vanwege beslaglegging door een derde. De Raad had eerder vastgesteld dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard en had het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Het college nam vervolgens een nieuw besluit waarin het bezwaar kennelijk ongegrond werd verklaard omdat de inhouding binnen het beslagkader bleef. Appellant voerde aan dat de beslaglegging illegaal was, dat vakantiegeld niet vatbaar is voor beslag en dat de som van de beslaglegging was overschreden.
De Raad oordeelt dat het college met het nieuwe besluit het gebrek uit de tussenuitspraak heeft hersteld en dat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard. Het vakantiegeld is volgens de Hoge Raad wel vatbaar voor beslag, mits het maandelijkse inkomen inclusief vakantiegeld boven de beslagvrije voet blijft. Appellant kan zich met de deurwaarder of civiele rechter wenden over de geldigheid van het beslag.
Het verzoek tot vergoeding van schade wegens gederfde vreugde wordt afgewezen. Ook zijn er geen proceskosten toegekend. De Raad vernietigt het eerdere besluit waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 27 december 2016 wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.