ECLI:NL:CRVB:2016:928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige beoordeling beperkingen en arbeidsmogelijkheden
Appellante ontving een WIA-uitkering die na een heronderzoek door het UWV per 11 december 2012 werd beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante adequaat waren vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante de geselecteerde voorbeeldfuncties kon verrichten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door haar klachten en lopende behandeling niet in staat was te werken. De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen niet had onderschat en dat de medische gegevens van appellante onvoldoende waren om het oordeel te wijzigen. Ook werd meegewogen dat appellante een intramurale behandeling voortijdig had afgebroken en een andere behandeling niet accepteerde.
De Raad concludeerde dat op basis van de FML en het arbeidsdeskundig rapport voldoende was onderbouwd dat appellante de functies kon verrichten. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellante de geselecteerde functies kan verrichten.